De kleine trommelaar

Voor zijn verjaardag kreeg Keesje een blikken trom met twee stokken en dit stond aan de wieg van zijn muzikale carrière. Aan een scherp touwtje, snijdend in zijn nekvel, hing de gewenste trommel terwijl de stokken, twee oude pollepels het metalen trommelvel ranselden. Enige relevante ervaring was hem vreemd. Edoch de jeugdige trommel– en doedelzakband ´de Scotjes’ liepen vaak door Tilburgs straten. “Later als ik groter ben wil ik graag achter de tambour-maître lopen of liever naast de meneer met de grote trom die over het tijgervel hangt.” Dat zware en diepe geluid imponeerde hem. Keesje was een dromertje. In zijn fantasie trommelde hij er lustig op los en zag hij zijn ouders trots naar hem kijken, Keesje als jongste en ook als eerste muzikant van het gezin. Soms wanneer de ‘Scotjes’ uitliepen liep Keesje graag achter het geluid aan. “O, wat mooi die doedelzakken met dat tromgeroffel. Dat wil ik ook”, maar in welke straat waren ze? En op een zonnige ochtend ontvouwde Keesje zijn plan. In de zijstraat van hun eigen straat woonde de baas van de ‘Scotjes’. Met een soort van baksteen in zijn maag wandelde hij naar de deurbel, zijn hart klopte in zijn keel. Dan toch maar aanbellen. Keesje wist dat je een bepaalde leeftijd moest hebben om er bij te kunnen. Dus de bel ingedrukt en zijn rikketik sloeg op hol, want vader en moeder wisten dit niet. Het duurde lang en uiteindelijk hadden ze de bel niet gehoord of waren ze niet thuis, vulde Keesje zelf in. Bevrijd van de spanning holde Keesje naar huis, alsof hij belletje getrokken had zette hij het op een lopen. Bezweet kwam hij thuis en sloop de bijkeuken in om uit te hijgen, terwijl moeder in de winkel klanten hielp. Jaren gingen voorbij eer Keesjes aspiraties weer aangewakkerd werden. In de vijfde klas kreeg men voor het eerst muziekles. En jawel bij een van de eerste lessen van frater Rafaël werd de hele klas wakker. Bij ‘Unter Donner und Blitz’ van Johann Strausz roffelden harde slagen op de immens grote concerttrom, aangevuurd door het geweld van de bekkens. Frater Rafaël had de gave om het beeldend te verhalen, niets ontsnapte aan je aandacht. Ook niet bij het rustige ‘Vier Jahreszeiten’ van Vivaldi, waar je het druppelen van de regen kon waarnemen. ‘Horen’ is bij frater Rafaël ‘waarnemen’. Alsof je het gedruppel op je hand kon voelen. Dan is dat pas luisteren, jongens!! Frater Rafaël was trouwens ook gymleraar en zeer geliefd bij de klasgenoten. Trefbal en in de touwen klimmen en na afloop ons lekker nat spetteren. Dat Keesje hem jaren later op de kostschool tegen kwam lag meer aan Keesje dan aan de geliefde frater. In de jaren zestig toen Kees op de kostschool logeerde galmde na de lessen radio Veronica en de top 40 door de recreatiezaal. Beatles, Stones, Cliff  Richard, Animals, Chuck Berry om er maar een paar te noemen kwamen op zijn pad. En ter gelegenheid van een eeuwfeest mocht de klas van Kees een optreden verzorgen waarbij Kees de drummer van de band werd. Op Cliff Richards ‘I could easily fall’ had hij de tekst gemaakt, een tekst die eerst door frater Rafaël gezien moest worden. Want er mag niets onwelvoeglijks gezongen worden tijdens de festiviteiten. Het kwam uiteindelijk goed en Kees had zijn eerste optreden te pakken. Na de kostschool wordt je losgelaten in de rest van de jaren zestig en liggen allerlei verlokkingen op ieders pad, ook op die van Kees. Muziek werd wel beleefd echter niet gemaakt. Het moesten de kinderen van Kees zijn die hem eraan herinnerden dat je nog altijd muziek kunt maken. Eerst kind 1 op vioolles, daarna kind 2 ook op vioolles, want dat stond zo mooi. Kind 3 koos voor saxofoon, want de favoriete juffrouw van de tweede klas deed dat ook. Dit laatste kind 3 behaalde zijn vier diploma’s en nadat de kostenfactor muziek in het gezin afgerond was mocht Kees. De saxofoon had indruk gemaakt en Kees koos voor de sax. Leerlingenorkest, carnavalsorkest, Seniorenorkest, Saxofoonensemble en Harmonieorkest plaveiden zijn muzikale keuze in de afgelopen twintig jaren. Dat Kessels Muziekinstrumenten Museum op zijn pad kwam? De hand van wijlen Frater Rafaël? ‘God only knows’

Geert van Nunen