De Piccolo

De oorspronkelijke Italiaanse naam voor de piccolo luidt flauto piccolo (in modern Italiaans heet de piccolo ottavino - “octaaf(fluit)je”). Een chique naam is sopranino-dwarsfluit, maar deze wordt eigenlijk niet dwars geblazen. De piccolo is gewoon een kleine dwarsfluit, alle noten klinken een octaaf hoger. Een piccolo heeft hetzelfde kleppensysteem als de dwarsfluit. Toch kunnen we een aantal verschillen noemen. Ten eerste is de piccolo natuurlijk kleiner en is het kopstuk cilindrisch en niet conisch. Verder is het uiteinde smaller dan het kopstuk. Ook heeft de piccolo geen zogenaamde Briccaldi-bes en heeft het een “dubbel gevoerde Bes gat”. Hierdoor heeft het een extra mechanisme nodig om de gis3 zuiver te kunnen spelen. Net zoals een dwarsfluit kan de piccolo gebouwd zijn met ‘open’ kleppen en met ‘gesloten’ kleppen. Deze zogenoemde dichte kleppen zijn makkelijker te bespelen. Maar met open kleppen kun je glissando’s makkelijker spelen en er kunnen ook makkelijker zogenoemde kwarttonen voor moderne muziek mee gemaakt worden

 

 

 

 

 

 

Hoewel de piccolo het kleinste instrument in een orkest is, komt het altijd prima in hoogte boven het orkest uit; dat kun je goed horen. De lage noten klinken juist heel zacht, maar de hoge noten hard en schel. Het is daarom lastig expressief te spelen op een piccolo. In de kleinere orkesten moet de tweede of derde fluitist vaak afwisselend de fluit en de piccolo spelen.

Klik op de hyperlink hieronder om ook de triangel te horen:

Stars and stripes op Picollo

 

Els Nienhuis en Hélène van Dun